
Sebastian Barry
In Dublin groeit William -Willie- Dunne op. Zijn vader hoopt vurig dat zijn enige zoon, er zijn nog drie meisjes, in zijn voetsporen zal treden en bij de politie zal gaan. Willie is met zijn 1.65 m echter te klein en besluit dan maar om bij het leger te gaan, om te vechten in Vlaanderen en ze daar te bevrijden van de Duitsers. Het enige waar hij op hoopt is dat de oorlog al niet gedaan zal zijn voor hij aan het front is.
Het verhaal gaat dus over een gewone jongen die in de loopgraven rond Ieper in WO I de waanzin van de oorlog beleefd. De koude, de hitte, de vermoeidheid, de honger, het tekort aan drinken of aan wat dan ook, zijn eerste en tweede gifgasaanval, er wordt hem en ons niks bespaard. En net als je denkt, nu kan het echt niet meer erger, nu hebben ze het zwartste van het zwartste bereikt, hoeveel kan een mens maar verdragen, dan, dan wordt het nog veel erger.
Wanneer Willie op verlof naar huis mag, komt hij in de Paasopstand terecht, een groep die rebeleert tegen de Engelse overheersing in -toen nog een- Ierland. Het maakt dat er in vele families twist komt over deze kwestie, zo ook bij Willie en zijn vader.
Het boek is geschreven in een sobere stijl, geen heroïek, geen bravoure, geen tranerig gedoe. Gewoon zoals een jongen van 18 jaar het hele gebeuren beleeft en ondergaat, in zijn hoop, zijn wanhoop, zijn doodsangst, samen met zijn kameraden. Het is natuurlijk een hard en een triest verhaal, maar het boek stemt vooral tot nadenken.
Een zeer goed boek, in een mooie stijl, maar dat zijn we van Barry gewend (zie ook De geheime schrift)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten